De taal van de Miljoenennota: nieuw, groot, veel en goed

De Miljoenennota is optimistisch van toon. Dat blijkt behalve uit de cijfers ook uit het gebruik van een select aantal bijvoeglijke naamwoorden. Laten we een alinea uit het eerste hoofdstuk bekijken.

Na jaren van herstel van de economie moet de aandacht nu verschuiven naar investeringen in nieuwe kansen.Aan de ene kant vragen maatschappelijke uitdagingen een grote investeringsopgave, zoals de energietransitie, verduurzaming, bereikbaarheid en onderwijs. Aan de andere kant zijn er rond het bedrijfsleven knelpunten in de financiering van nieuwe investeringen, vooral bij de doorgroei van kansrijke, nieuwe bedrijven. Bij beide vindt financiering steeds vaker plaats op een snijvlak van publiek en privaat, om investeringen op grotere schaal van de grond te krijgen. Het vergt een goede organisatie om markt en overheid op elkaar aan te sluiten en nieuwe investeringskansen vorm te geven. Op beide terreinen is de overheid al met veel instrumenten en instellingen actief om financiering mogelijk te maken. (Miljoenennota 2017, pagina 25)

undefined 

De schrijvers van de nota hebben een duidelijk voorkeur voor vier bijvoeglijke naamwoorden: nieuw, groot, veel en goed. In één alinea spreekt de Miljoenennota van nieuwe kansen, nieuwe investeringen, nieuwe bedrijven en van nieuwe investeringskansen.

Het is niet verboden om adjectieven te gebruiken, graag zelfs. Maar wat betekent het woordje nieuw eigenlijk? En hoeveel is veel? Wat is een grote investeringsopgave?  En investeringen op grotere schaal? De vage bijvoeglijke naamwoorden maken weinig duidelijk maar geven de lezer wel een Olympisch gevoel: een variant op citius, altius, fortius: sneller, hoger, sterker.

Suzanne Weusten